De Amerikaanse alternatieve rockband Buffalo Tom vierde vorig jaar de 25ste verjaardag van hun doorbraakalbum Let Me Come Over en speelde dat album tijdens uitverkochte shows in Amsterdam (Paradiso) en Maastricht (Muziekgieterij). Voor ze dat album integraal brachten, was er een opwarmronde met hun andere hits en met één nieuw nummer. Freckles (sproeten) hield toen maar net het hoofd boven water tussen kleppers als Sodajerk, Tree House, Summer en I’m Allowed.

 

Freckles heeft geen scherpe randjes, geen sense of urgency, geen versterker op 11 die de emotie nog wat dieper in je oor duwt. Niet echt een song om de oude fans met veel vertrouwen te laten uitkijken naar Quiet And Peace. Toch is dat nieuwe album vintage Buffalo Tom. Gelukkig. Maar je moet het wel wat tijd en geduld geven vooraleer Bill Janovitz en zijn band de ballen tegen het net schoppen.

 

Quiet and Peace is het eerste album sinds het matige Skins uit 2011 en werd gemixt door John Agnello (Kurt Vile, Sonic Youth, The Hold Steady) en is tevens de eerste samenwerking met producer David Minehan.

 

Bij de eerste tracks, All Be Gone en Overtime, geef je de band nog wat krediet. Het klinkt allemaal vertrouwd, maar het mes is duidelijk niet zo scherp geslepen als in de jaren ’90. Het drama is wat weg, maar er is vakmanschap voor in de plaats gekomen. Janovitz weet intussen wat muzikaal werkt in een song en waarom en hoe en hij is een meester in het maken van eigenzinnige en niet-meteen te duiden lyrics. Het soort waar vroeger heel wat jongeren zich wel ‘iets’ bij konden voorstellen. Ook Michael Stipe van REM kon zo scoren bij een zoekend publiek.

 

Op een aantal tracks mag bassist Chris Colbourn de leadvocals voor zijn rekening nemen. Bij optredens komt dat goed uit. Zo kan Janovitz zijn stem wat laten rusten. Op een album klinkt Colbourn toch wat gelikt en mis je de grovere korrel op de stembanden van Janovitz. Het maakt dat Roman Cars en See High The Hemlock Grows (over de gevlekte scheerling) niet helemaal overtuigen. Nog dieper zinkt de band weg op Only Living Boy in New York, een naar Simon & Garfunkel ruikende samenzang waarop zelfs nauwelijks een gitaar te bespeuren valt.

 

Dat Quiet And Peace toch een kans verdient, komt op rekening van enkele uitschieters. In The Ice en Least We Can Do zijn gewoon heel degelijke songs. Op Little Sister (Why So Tired) en The Seeker slaan de Amerikanen zomaar telkens een homerun. Slow Down doet nog beter en zou – als het een single wordt – in het rijtje kunnen staan tussen I’m Allowed en Taillights Fade. Misschien. Als we het wat tijd en geduld geven.