Gedurende de elfde november van het jaar 2011 wordt er veel gezongen. Massaal. Voor het grootste gedeelte wordt er in de kou gezongen om plastic tassen te vullen met zoveel mogelijk snoepgoed en mandarijnen. Een dag waarbij de omzet marsen en twixen flink omhoog schiet, en tegelijkertijd een dag waarop Tim Knol zingt voor een wat uitgebreider publiek in het warme complex dat ‘Victorie’ heet. Gesteund door zijn hele band speelt de singer en songwriter vrijwel al zijn nummers, inclusief enkele covers van bijvoorbeeld ‘the Roadies.’ Nog voor het verschijnen van ‘Tim Knollebol’, verschijnen er twee excentrieke figuren op het podium die Tim met deze naam betitelen..

De mannen luisteren naar de namen Arnout en Sander Brinks, en hebben voor de artiestennaam ‘Tangarine’ gekozen. Het betreft een tweeling die duidelijk is geïnspireerd door het fabuleuze duo Simon and Garfunkel. Opvallend is het stemgeluid dat de twee hebben meegekregen: de toon van hun stemmen is ongeveer net zo droog als de omstandigheden in de hoorn van Afrika. Tegenstrijdig is hun manier van praten, en hun manier van zingen. Want wanneer deze schaamteloze tweeling begint te zingen, dan ben je als luisteraar best wel op het verkeerde been gezet. Hoge tonen, harmonieus stemgebruik en het aanvullen van elkaar: je ziet door de bomen het bos niet meer, maar deze co-operatieve werking pakt bijzonder mooi uit. Een tiental nummers spelen de strakgeklede mannen vanavond. Zoals ik reeds heb vermeld is ‘Tangarine’ schaamteloos. Dit is bijvoorbeeld goed op te maken uit een opmerking die het publiek duidelijk doet fronzen, en gniffelen. Arnout zegt namelijk het volgende: dit is ons vrolijkste nummer, hier kunnen jullie vast wel op dansen. Dus, trek je broek alvast maar uit ofzo…

Een grote driekwartier later is het dan eindelijk zover. ‘Tangarine’ zorgde weliswaar voor een lachwekkend, doch interessant opwarmertje, maar door de eentonigheid hiervan begon het (minimale) publiek gemakkelijk een conversatie met een medestander. De aandacht werd hertrokken door de man voor wie iedereen gekomen is: Tim Knol. Zijn inleidende woorden gingen over het ‘logische’ verband tussen het oktoberfest in Alkmaar, terwijl dit festijn in november plaatsvindt, en alleen al daarmee wist hij vele tanden te ontbloten. De man heeft tot op heden twee albums tot leven gewekt die allebei in de smaak zijn gevallen bij verschillende critici. Daarom deed Tim er niet heel moeilijk over om gewoon beide albums in z’n geheel te vertolken op het kleine toneel in de ‘Victorie.’

Juist op dit toneel kwam het keyboard van Mathijs van Duijvenbode een stuk beter tot zijn recht dan tijdens de studioversies. De man in kwestie, die lijkt te kampen met een chronische vorm van ADHD, zorgde juist door zijn enthousiasme voor een flinke opzweping van het publiek. Een nostalgisch gevoel wordt er opgewekt als hij intensief op het keyboard ramt, want veel gelijkenissen met bijvoorbeeld ‘the Doors’  zijn duidelijk hoorbaar. Wanneer Tim aankondigt dat de bassist ook nog een nieuwe bassgitaar had aangeschaft uit het jaar 1968, dan is het duidelijk waar de nodige inspiratie, en fascinatie vandaan komt.

De kleine ruimte bíedt ruimte voor een warme sfeer, helaas is dit enkel bij een select gezelschap merkbaar want plus minus twintig procent van de gehele audiëntie is zijn of haar grenzen aan het verkennen door ongelimiteerd te genieten. De rest? Deze is ongeveer net zo actief in beweging als de man achter de kassa. Dit zorgt voor weinig saamhorigheid en intimiteit, en uiteraard zal Tim dit ook jammer vinden aangezien hij eerder dit jaar zijn ding mocht doen op het grootse Pinkpop. Uiteraard komt zijn clubtour, ‘op knolle toeren’, dan een beetje over als mosterd na de maaltijd. Anderhalf uur later laat Tim zien dat hij de beroerdste niet is en betreedt het podium wederom, ná zijn afscheidswoorden. Het is inmiddels een cliché om nog even terug te komen na de mensen een fijne avond verder te hebben gewenst. Inmiddels is dat voor iedereen duidelijk en daarom besluit het publiek roerloos te blijven staan. Nog twee nummers volgen: het schitterende ‘Music in my room’, en hét enige nummer wat iedereen mee kan zingen, ‘Sam’ genaamd. Bijzonder is hierbij een toevoeging van een compleet psychedelisch tussenstuk wat vrijwel niemand zag aankomen. En deze muzikale uitbreidingen geven Tim Knol meer een eigen gezicht. Een gezicht beschminkt met herkenbaarheden uit de voorbije jaren. Bij de uitgang werp ik een spoedige blik op de shirts die als warme broodjes over de toonbank gaan. Hierop staat een tekst beschreven die identiek is aan mijn conclusie: Tim Knol is vet.