Moonchild, het debuutalbum van Joe Heart & The Prisoners, verraste ons een beetje. Vooral toen we hoorden dat het een soloproject was, want zo klonk het niet. Omdat er na de albumreview nog heel wat vragen open bleven, trokken we naar Ruurd Heise voor een paar antwoorden.

Je zat al in verschillende bands, waarmee je ook al opnames maakte. Waarom heeft het zo lang geduurd voor er een solo-album kwam?

RH: Vooral omdat er geen tijd was, maar ‘geen tijd’ bleek dan weerstand te zijn. Weerstand in de zin van onzekerheid over mijn eigen kunnen. Het was een lange weg van nummers opnemen en weer weggooien omdat ik dacht: ‘niet goed genoeg’, ‘dit lijkt nergens naar’ of ‘het lijkt teveel op’. Het plan om een eigen album op te nemen was er al jaren. Wat ook meegespeeld heeft, zijn de mogelijkheden om muziek op te nemen. Tien of vijftien jaar geleden moest je al een studio afhuren om muziek een beetje degelijk op te nemen. De digitale mogelijkheden vandaag om een thuis-studio in te richten zijn legio. En toen kwam de coronaperiode en had ik nauwelijks mogelijkheden om met mijn bands The Surphonics en First E te spelen. Er was dus tijd om met mijn eigen project aan de slag te gaan. Ik kon me niet meer verschuilen achter het excuus van ‘geen tijd’.

Je geeft aan dat je niet zeker genoeg was of je songs wel goed genoeg waren. Had je een klankbord of iemand die je dat laatste zetje gegeven heeft?

RH: Niet echt een klankbord. Totdat ik zowat drie jaar geleden het met iemand had over mijn twijfels en die zei: ‘Stop nou eens met je wat aan te trekken van wat anderen van jouw muziek zouden vinden. Begin eens muziek uit je hart te maken en doe het voor jezelf. Je beperkt jezelf veel te veel!’. Dat sloot eigenlijk naadloos aan bij de geweldige keynote-speech van Dave Grohl op SXSW in 2013. Hij vertelde hoe zijn muziek zich ontwikkeld heeft en dat hij op een bepaald moment besloot dat hij zich niets meer zou aantrekken van wat anderen over zijn muziek denken. Dat waren de momenten die me over de streep hebben getrokken. When The Light Fades was het eerste nummer dat af was en waar ik wel tevreden over was.

Ik herken maar weinig invloeden van je andere bands.

RH: Ik ben weliswaar opgegroeid met een elf jaar oudere broer en die zijn muzikale roots begonnen in de jaren ’60, maar eigenlijk ligt het beginpunt van mijn muzikale ontwikkeling eind jaren ‘70. Punk, new-wave, de postpunk in de jaren ‘80. Maar de platen in de kast bij mijn broer waren, behalve The Beatles en The Stones uiteraard, van David Bowie, Lou Reed, Tom Petty en Bruce Springsteen. Mijn eerste grote concert was in 1981: Talking Heads met U2 in het voorprogramma. Ik denk dat de muziek van First E sterk gebaseerd is op de jaren ‘80 en dat hoor je denk ik wel terug op mijn album. De jaren ‘60 veel minder. Het idee achter het album was een Springsteen-achtige plaat te maken met als basis de akoestische gitaar, piano en wat klassieke folk-instrumenten. Dit hoor je terug op Train To Nowhere. Ik verviel echter snel toch meer richting de mineurstemming van de new-wave,  de wat melancholische, sombere sfeer met meer persoonlijke teksten.

Welke andere artiesten hebben jou beïnvloed?

RH: U2 en Pearl Jam en Eddie Vedder. Maar zoals jij schreef in je recensie zijn er verschillende invloeden. Ik denk dat elke artiest beïnvloed wordt en dat elk akkoordenschema al een keer eerder gespeeld is en dat is bij mij niet anders. Maar ik hoop dat er ondanks al die invloeden toch een soort van eigenheid in te ontdekken valt.

Met de positieve reacties die je nu krijgt, zou je dit al niet veel eerder moeten gedaan hebben?

RH: Ik geloof er heilig in dat de dingen komen zoals ze komen. Achteraf zou ik kunnen denken’had ik het maar eerder gedaan’, maar ja…het is wat het is. Kennelijk was ik er niet eerder klaar voor. En ik ben ook niet snel tevreden.

Je noemt jezelf Joe Heart & The Prisoners. Zit er een betekenis achter of moest het gewoon vlot klinken.

RH: Die bandnaam is eigenlijk best wel een verhaal. Ik wilde zo’n soort bandnaam als Bruce Springsteen & The E-Streetband, Tom Petty & The Heartbreakers, Adrian Borland & The Citizen, enz, maar ik kon niets verzinnen. Dan dacht ik, ik doe gewoon ‘Ruurd’, maar er is al iemand met die naam actief op Spotify.

Toen ik in 2003 bij The Surphonics kwam kreeg ik van de bandleden voor mijn verjaardag een tamboerijn. Eentje met een vel en zo’n ding blijkt geen tamboerijn te heten maar een pandero. Zo kreeg ik daar de bijnaam Joe Pandero. Die ‘Joe’ verzonnen de bandleden er bij. Met de opmerking van degene die zei dat ik ‘vanuit mijn har’ muziek moest gaan maken en ik mezelf teveel ‘beperkte’ kwamen bij die Joe de ‘Heart’ en ‘The Prisoners’. En nu zit ik daar aan vast. Sommige vinden de naam lekker klinken en sommige vinden het een stomme naam. Mijn dochter vindt Joe Heart klinken als een Duitse jaren ’70-pornoster.

Vanwaar de keuze om jezelf te begeleiden en er geen echte Prisoners bij te betrekken?

RH: Omdat ik er echt een eigen project van wilde maken. Ik wil volledig zelf kunnen bepalen wat voor muziek en hoe het moet gaan klinken. En er was zeker ook een soort bewijsdrang naar mezelf, aansluitend op de vraag ‘ben ik in staat zelf complete nummers te schrijven die ook nog de moeite waard zijn?’. De enige die er her en der nog zijn invloed op heeft kunnen uitoefenen is mijn goede vriend en bandlid van First E, Claus Visser. Hij heeft het album mede-geproduceerd, gemixed en gemasterd en ook nog eens de door mij ingespeelde sloridge baspartijen opnieuw en beter ingespeeld. Dat deed de muziek goed. Claus snapt mijn muziek als geen ander en heeft een paar fantastische en creatieve oren. En we kunnen uitermate goed sparren.

Zijn er plannen om deze muziek alsnog met een band live te gaan brengen?

RH: Jazeker! Alleen wil ik dan iets meer repertoire hebben en ik moet op zoek naar The Prisoners. Prisoner 1 is natuurlijk Claus, maar dan moeten er zeker nog drie (gitaar, toetsen en drums) bijgezocht worden. Maar dat zal in de nabije toekomst zeker gebeuren.

Als er een vervolg komt op het album Moonchild, staan er dan extra Prisoners op je verlanglijstje?

RH: Nee, ik denk dat ik het weer op dezelfde manier zal doen. Tenzij er een platenmaatschappij is die er brood in ziet en ik de kans zou krijgen om alles in een professionele studio op te nemen. Dan zou ik zeker de bandleden van First E vragen om mee te werken.

In de inleiding van mijn review was ik hard voor jou en sommige artiesten ervaren dat dan als een kind dat vermoord wordt. Sta je open voor kritiek of glijden alle opmerkingen snel van je af?

RH: Ik sta zeker open voor kritiek en de recensie was streng doch rechtvaardig en alleen al het feit dat iemand de moeite neemt om zo gedetailleerd naar het album te luisteren en je feedback te geven kan ik zeer waarderen. En jouw kritische kanttekeningen bij een nummer als Train To Nowhere zijn terecht. Ik heb daar te veel geprobeerd een poppy, Springsteen-achtig nummer neer te zetten. Aan de andere kant denk ik dan: ‘beauty is in the eye of the beholder’. Wat de een mooi vindt, vindt de ander lelijk. Waar ik twintig jaar geleden mogelijk volledig in een depressie was geschoten door alleen maar de kritiek te lezen en niet de positieve feedback die iemand schrijft, kan ik nu beide kanten waarderen en ook zien als leerpunten.

Heb je zelf een favoriet op het album?

RH: Ik vind When The Light Fades goed gelukt, maar het meest persoonlijke nummer is Misty Morning Sun. Ik schreef dat nummer toen mijn schoonvader op sterven lag en ik afscheid van hem nam. De gedachten die ik toen had aan wat het voor de stervende en zijn geliefden betekent om voor altijd afscheid te moeten nemen en het moment vlak voor het overlijden, dat heb ik allemaal geprobeerd te vangen in dit nummer.

Had je al meer songs klaar dan die die op Moonchild staan?

RH: Nadat ik Moonchild af had was de inspiratie even weg. Dat begint nu stilaan terug te komen. Er staan er een paar nummers in de steigers en het plan is om eind van dit jaar al een tweede album uit te brengen.

Daar kijken wij alvast naar uit.