Howe Gelb van Giant Sand heeft het kadaver van het album Ballad Of A Thin Line Man uit 1986 opgegraven en heeft van de beenderen een nieuwe soep gekookt  op Recounting The Ballads Of Thin Line Men.

Er zijn verschillende redenen om een oud album opnieuw op te nemen. Of de kwaliteit van de opnames was niet zo goed, of de opnames zijn verloren gegaan, het label bestaat niet meer of het label wil het album alleen uitbrengen met hetzelfde schamele percentje voor de band als indertijd, …En dan heb je ook nog bands en artiesten die de tracks helemaal willen herinterpreteren. Dat laatste lijkt aan de hand met Recounting The Ballads Of Thin Line Men. Moet ook wel, want een gigantisch verkoopskanon is de band van Gelb nooit geweest. Wat ze misgelopen zijn aan geld kreeg hij wel dubbel terug in erkenning, waardering en invloed.

Met de oorspronkelijke opnames was niet zo veel mis. De kwaliteit was behoorlijk voor een bandje dat in 1986 een album uitbracht op een klein label. Het klinkt heel wat afgelikter dan het latere werk van Gelb en Giant Sand. Netjes afgeborstelde rock met een diepe countrytoets. Dat laatste kon ook moeilijk anders. Gelb trok in 1986 met twee bands tegelijk de studio in, om kosten te besparen. De andere was zijn countryband The Band Of … Blacky Ranchette. De invloeden van Gelb voor Giant Sand gingen alle kanten uit, van Led Zeppelin, Neil Young en Dylan tot Bowie en T-Rex.

Om een of andere bizarre reden werd het oorspronkelijke album van Giant Sand uit 1986 enkel in Europa uitgebracht (en niet in de VS) waar de band meteen op handen werd gedragen. Sindsdien volgden nog meer dan 20 albums van Giant Sand.

Het heropgenomen album dan. De basisbezetting bestaat behalve uit Howe Gelb nog uit Tommy Larkins (drums) en Thøger Lund (bas). De gasten zijn Paula Brown, de ex van Gelb en voormalig Giant Sand-bandlid. Andere oud-bandleden Winston Watson (drums) en Annie Dolan (gitaar) doen hun ding op Desperate Man. De tracklist is ongeveer dezelfde. All Along The Watchtower van Bob Dylan is er niet meer bij. You Can’t Put Your Arms Around A Memory van Johnny Thunders tekent wel opnieuw present. Reptilians is een track die bij al eens opdook bij de heruitgave van het oorspronkelijke album, bij de 25ste verjaardag (nu is het 33,3 jaar oud).

De sound van de nieuwe opnames verschilt niet eens zo hard van die van het origineel. Wel heeft Gelb nog meer zijn stempel gedrukt. Zijn manier van gitaarspelen en zingen is heel kenmerkend. Een beetje ruw en sloppy. Daardoor klinkt het heropgenomen album wat meer als grunge. De 1986-versie van de track Thin Line Man klonk overigens toen ook al een beetje als de Pixies, met Paula Brown als de Kim Deal van dienst. De fantastische, epische outro van die track is deze keer overigens veel minder minder indrukwekkend.

De algemene sound heeft deze keer iets van Rust Never Sleeps van Neil Young, die andere grunge-godfather. Zelfs vocaal komt Gelb dicht in de buurt van Young. Deze band gaat het gevecht aan met de blote vuisten, de knokkels wit van woede, maar wel met de overtuiging dat het gevecht al op voorhand gewonnen is. Evengoed draaien ze de versterker al eens terug van 10 naar 5, voor een ballad die je bij de strot grijpt. De backings van Paula Brown op Graveyard katapulteren die track naar het grondgebied van David Lynch. De invloeden die Gelb had voor het oorspronkelijke album klinken nu nog minder hard door.

Opener Reptilian is licht-psychedelische desertrockblues, terwijl A Hard Man To Get To Know echt wel leentje buur heeft gespeeld met Neil Young. Niettemin is dit één van de betere tracks van het album en dan nog wel voor de volle zes minuten. Desperate Man klinkt minder wanhopig of urgent dan de titel laat vermoeden, maar de sound is wel vintage-Giant Sand. Tantamount is verrassend vrolijk en lo-fi, maar krijgt een herkansing als sappige rock in de bonus-song Tantamount Blast. Body of Water, een track die Gelb reeds in 1983 opnam met toen nog Giant Sandworms, klinkt zo hard als de Pixies dat je denkt dat Joey Santiago meespeelt. Het (opnieuw) door Paula Brown gezongen The Chill Outside begint al bubblegum-pop, maar landt na een niet zo loepzuivere gitaarsolo toch in Giant Sand-land. Thin Line Man is de perfecte uitsmijter. De band gaat er nog een laatste keer hard tegenaan. Met de ‘oude’ outro in gedachten zit je naar het einde wel nog te wachten tot de windvlaag in een storm verandert, maar zo voorspelbaar is Gelb uiteraard niet. Dan zou heropnemen geen zin hebben gehad. Ging elke band maar met zo weinig respect om met zijn oude materiaal.