De Belg Peter Corijn bracht onder de naam Paul Numi eind vorig jaar met Chimera een fijn album uit dat mij meenam naar de new wave en alternatieve rock van de jaren ’80. Dat is misschien niet zo verwonderlijk, want Paul Numi was toen reeds muzikaal actief. Genoeg aanleiding voor een interview met de zanger, waarbij we ook vooruitkijken naar zijn volgende album.

ouw carrière begint in de jaren ‘80 bij Angry Voices. Hoe is die band gestart?

PC: Voor zover ik het me nog correct herinner startte die band in de zomer van 1981. De eerste repetities verliepen in een loods van één van mijn ooms, in een landelijke deelgemeente van de stad Deinze. Het belangrijkste wapenfeit uit dat begin was dat de boer die zijn koeien in de weide naast het repetitielokaal liet grazen de dag na de eerste repetitie kwam klagen. Zijn koeien gaven geen melk meer na ons lawaai. Eerst had Angry Voices een zangeres maar die werd vervangen door Wim De Schuyter. Die jongen had een prachtige stem en bovendien de looks van een frontman. Als gitarist hadden we de uitzonderlijk getalenteerde Dirk Martens. Dirk was ook een sterke songschrijver. De drumvellen werden beroerd door Koen Marichael. Allemaal kwamen we uit de buurt van Deinze.

Jij was de bassist in de band?

PC: Ik was bassist, deed backing vocals en schreef ook songs. We zaten volledig in de new wavescene. We waren tuk op de muziek van The Sound, The Cure, Joy Division, Echo & The Bunnymen en “Night Shift” van de Belgische band The Names.

Online vind ik van Angry Voices slechts één track op een verzamelaar op Colour Records.

PC: Dat zal inderdaad de enige opname zijn. Mogelijk komt er nog ergens een cassette boven water met wat demo- of concertopnames.

Het steeds opnieuw aangehaalde wapenfeit van Angry Voices was de support voor U2 in concertzaal Brielpoort. Daar droomt toch elke band van?

PC: Dat concert was compleet uitverkocht. U2 had toen net het album War uit met daarop o.m. New Year’s Day. De lokale jeugd kende toen alle nieuwe bands en hun albums heel snel. Voor de release van War waren in alle Deinse jeugdcafés eerdere singles als I Will Follow en Gloria al grijsgedraaid en luidkeels meegezongen. Het is niet dat U2 toen nog een beginnende band was.

Hoe heb je die avond beleefd?

PC: Met de stress viel het mee. Ten minste, tot we aan de soundcheck begonnen. Toen kwamen we erachter dat onze versterkers niet konden aangesloten worden omdat de stekkers in Ierland en de UK anders zijn. Mijn vraag aan de roadies of we dan maar op het materiaal van U2 konden spelen werd op hoongelach onthaald. Even leek het alsof we die unieke kans zouden missen. Gelukkig gingen de roadies toch meteen aan de slag om de stekkers te vervangen. Onze soundcheck mocht exact vijf minuten duren. The Edge van U2 had alle tijd opgesoupeerd door eindeloos lang aan zijn sound te sleutelen. De deuren van de zaal moesten open dus bij ons was het echt van: “sla eens een akkoord aan! Jaaa! Klinkt prima. De volgende!”. Maar geen slecht woord over hun crew want ze hebben echt hun best gedaan om ons zo goed mogelijk te laten klinken. Die avond had ik geen contact met U2, tenzij een korte “hello”. Ik was veel te verlegen om hen aan te spreken. Nu zie ik dat als een gemiste kans. Met dat concert waren mijn 15 seconds of fame meteen opgebruikt. Maar ik beleefde ze wel! We zouden eerst drie concerten met U2 spelen. Onze bandnaam stond al op de affiches gedrukt. Tot bleek dat U2 een eigen voorprogramma meebracht en ze ons er niet bij wilden. Gelukkig kon concertorganizator Kris Verleyen hen overtuigen om in onze thuisstad drie bands op de affiche te zetten.

Met Angry Voices speelden jullie wel vaker supports of samen met andere bands?

PC: Die lijst is lang: TC Matic, Definitivos, the Scabs, De Kreuners, Marine, Revenge88 en The Gigolos. De drie concerten met Echo & The Bunnymen waren in het Hof ter Loo (nu Trix) in Borgerhout, de Vooruit in Gent en het ter ziele gegane Plan K in Brussel.

Wanneer is het verhaal van Angry Voices gestopt?

PC: Ik ben in de zomer van 1983 uit de band uitgestapt. Dat was niet zo’n slimme beslissing. Want je krijgt maar zelden een band samen waar het geheel meer is dan de individuele delen. Joe Perry van Aerosmith ging weg om solo te gaan maar kwam snel terug. Hij zei terecht: “You only get one chance to have a great band”. Maar ik was  jong en ik dacht dat er nog goeie bands zouden komen. Niet dus. Er is nog sporadisch contact met de andere bandleden. Bij mijn weten zijn de anderen na Angry Voices niet meer muzikaal actief geweest.

Na Angry Voices ging je dan solo?

PC: De muziek is altijd een constante gebleven. Ik ben nog in een aantal andere bands gaan spelen, maar zonder veel succes. Al had er eentje een geniale naam: James Dean After The Crash. Dan begon het leven als expatriate. Ik was 25 jaar aan de slag in het buitenland. Op zakenreis nam ik soms mijn Martin-gitaar mee. ‘s Avonds speelde ik dan een unplugged concert. Vaak in Hard Rock Cafés, maar ook op de legendarische Rockwood Musical Stage in New York. Zo deed ik een internationale toer van Moskou tot Boston en van Warschau tot Tel Aviv. Ik was daar toch al voor mijn job, dan kon ik net zo goed het podium op. In Polen, in 1999, had ik een hit met Give Children The Sun. Die song gaf ik weg aan Poolse artiesten die een liefdadigheidsactie hadden opgezet. De muziekvideo werd zwaar geplugd op Poolse TV-stations. De opbrengst werd gebruikt om een ziekenhuis voor de behandeling van verbrande kinderen te bouwen. De muziekmicrobe is altijd blijven broeien.

Een aantal jaar geleden nam je het alter ego Paul Numi aan. Welke betekenis schuilt er achter de artiestennaam?

PC: De inspiratie voor de naam komt van Jeff Immelt, de ondertussen ex-CEO van General Motors. Hij gaf een presentatie en liet daar de naam van een Toyotafabriek vallen, de Numi-plant. Ik dacht meteen: prima naam. Numi klinkt als ‘new me’. Dan was er slecht één optie voor de voornaam: Paul, van Paul van Tharsus, bekend van zijn bekering en spirituele hergeboorte op weg naar Damascus. Ik prefeer een avatar, net als Bono, Sting, The Edge, Prince, …

De tekening op het artwork doet wat denken aan het stadssymbool van Venetië, maar het is net iets anders en wordt blijkbaar vaker gebruikt bij Chimera, zit daar voor jou een extra betekenis achter?

PC: Het symbool is een chimera, een mythisch dier uit de oudheid. Chimera betekent ‘een onmogelijke of moeilijk te bereiken doelstelling’. Zo lijkt mijn muzikale come-back soms. Een andere betekenis is ‘het DNA van meerdere wezens in éen’. Ik heb me altijd verzet tegen hokjesdenken waar men je catalogeert als ‘de artiest’, ‘de zakenman’, ‘de professor’ of wat dan ook. Waarbij je dan blijkbaar alleen geloofwaardig kan zijn als je voor één van die hokjes kiest. Alsof je niet een ‘en’-persoon kan zijn en meerdere rollen aankan. Dat is nu precies het thema van Multitudes, die eerste single van het album dat na Chimera komt.

In een eerder interview word je de ‘white collar Bruce Springsteen’ genoemd, de Bruce Springsteen van de managers, zeg maar. Dat beeld bevestig je ook een beetje met de foto’s in je artwork.

PC: In Newsweek betreurde een journalist ooit dat vele muzikanten over blue collar pain schreven, maar niemand over white collar pain. Daar wist ik wel iets van. Ik had er ook een paar songs over geschreven zoals “Mister Turncoat” of “Forward Ye Corporate Soldiers”. Omdat ik toen business executive was, was de connectie snel gelegd. Bovendien draag ik als niet-meer-zo-jonge jongere vaak maatpakken, wat het beeld nog wat versterkte.

Met jouw achtergrond in de zakenwereld: beschouw je jouw muziek als een product dat verkocht moet worden, als iets dat moet renderen, winst genereren, …?

PC: Dit muzikale project drijft volledig op passie. Als ik het Paul Numi-avontuur als business executive in termen van winst en verlies zou moeten beoordelen, dan kan ik er maar beter meteen mee ophouden. Als artiest verdien je bv. niks aan streaming. Een play betaalt 0,0035 dollar. Chimera heeft zo de ronde som van 100 dollar opgebracht. Daar kan ik dus net een paar setjes nieuwe gitaarsnaren van kopen. Ook CD’s worden nog maar moeilijk verkocht. Je kan ze zelfs nauwelijks nog gratis weggeven, want velen hebben geen CD-speler meer. Een paar vrienden kopen al eens een T-shirt maar omdat het om kleine oplages gaat, zit daar ook geen cent winst op. Ik word voorlopig alleen op regionale en digitale radios gedraaid, dus royalties zijn er ook niet. En als we het dan toch even over business moeten hebben: het winstmodel van de muziekindustrie is wat we een winner takes all-model noemen. Een ster verdient veel, al de rest kan de eindjes nauwelijks aan elkaar knopen: “you can make a fortune but you can’t make a living”.

Je bracht als Paul Numi al twee albums uit vóór Chimera.

PC: Die albums ben ik wat ontgroeid. Ik wou voor Chimera een tabula rasa. Vreemd misschien, want de songs van die albums werden door wel honderd Amerikaanse radiostations op de playlist gezet. Het ging om Triple A- en college radiostations. Ik kan dus zeggen dat ik in de elite-universiteiten van Harvard en Princeton ben binnengeraakt, zij het dan slechts op hun radiostation en niet als student. Ook in Turkije, Pakistan, Saudi-Arabië, Zwitserland, Duitsland en Marokko was er airplay en vaak interviews. De grootste krant ter wereld, The Times of India, gaf me toen een heel mooi artikel.

Ik heb keihard gewerkt aan die albums. Maar ik besloot daarna om maar niets meer op te nemen. Ik had zo’n gevoel van “wie zit er nu in godsnaam te wachten op mijn middelmaat?” In 2019 had ik toch weer zin om een single te maken. Een business lunch met Frank De Mey bracht me op het spoor van producer Ronald Vanhuffel. De geplande single werd het album Chimera en ondertussen is het tweede album met dezelfde producer helemaal klaar.

Ronald is voor mij de perfecte producer. Hij kent en houdt ook van de muziek van de jaren ‘80. En hij is een uitstekende coach. Ik geef toe dat ik heel onzeker ben over mijn songs. Raar is dat. Ik heb business’ met miljarden dollars omzet gerund, zonder slapeloze nachten. Vaak speach ik voor honderden mensen. Maar als het over mijn songs gaat, komt er een innerlijk stemmetje opzetten dat twijfel zaait. Dan word ik heel kwetsbaar.

My Day Will Come is één van mijn populairste songs geworden. Ik wou dat nummer eerst niet eens opnemen. Ronald wees toen naar zijn muur vol gouden platen en beweerde dat hij het beter wist dan ik. Wat ook bleek.

Het nieuwe album dat net klaar is wou ik op een bepaald moment ook de vuilnisbak inkieperen. Gelukkig was Ronald er om dat tegen te houden. Dat nieuwe album is een grote stap vooruit ten opzichte van Chimera. De single Multitudes geeft alvast een voorsmaakje.

Zijn er plannen of ideeën om de nummers van Chimera en/of die van het nieuwe album live te gaan brengen?

PC: Ik wil die songs graag live brengen. De studioband zou natuurlijk perfect zijn op het podium, maar die jongens worden ook veel gevraagd door gevestigde waarden. Zo speelt de ritmesectie ook voor Clouseau. Eric Melaerts is een topgitarist die iedereen wil. Het moet ook financiëel een beetje haalbaar zijn. In een eigen band speelt iedereen voor gratis bier, maar met ingehuurde muzikanten ligt dat anders.

Je bent zelf bassist. Waarom dan een bassist inhuren voor de opnames?

PC: Ik speel bas en gitaar. Ik schrijf alle basslines. Een klassebak als Vincent Pierins voor studiowerk inhuren is absoluut zinvol. Dan staat het er met zijn geweldige groove in één of twee takes perfect op. Vergeet ook niet dat studiotijd in de ICP-studio niet goedkoop is. Time is money en het is mijn geld. Ik kan het zelf inspelen, maar dan moet het in zeven takes voor een slechter resultaat, wat meer tijd kost.

Mijn echte passie ligt bij het songschrijven. Een instrument is daarbij maar een stuk gereedschap, zoals een timmerman de hamer en de zaag hanteert.

Hoe ga je te werk voor lyrics en muziek?

PC: Lyrics zijn voor mij heel belangrijk. Ik hoor wel eens dat dat allemaal niet zoveel uitmaakt. Maar voor mij werkt dat niet. Ik heb een paar principes bij het schrijven. Eén: het moet duidelijk zijn waarover het gaat. Ik heb het niet zo met ‘mystiek’ schrijven en claimen dat de luisteraar zelf de inhoud moet bepalen. Dat lijkt me soms een excuus omdat men weinig te zeggen heeft. Alle goeie songschrijvers zijn concreet: Bruce Springsteen, Nick Cave, Warren Zevon, Tom Waits, …

Ten tweede gebruik ik nooit scheldwoorden. Ook dat is te eenvoudig. Elke achtjarige kan het f-woord roepen. De vraag is: hoe zeg je dat op een andere manier. Morrissey is daar sterk in.

Drie: het moet authentiek zijn. Ik kan bezwaarlijk “Yo yo from the ghetto” gaan rappen. Dat zou compleet belachelijk zijn. Of over ufo’s, elfjes en faraos gaan zingen zoals sommige progrockbands. Wat bij mijn generatie zo aansloeg in de punk is dat het over ons leven leek te gaan in plaats van dat kleffe hippiegedoe, waar ik alvast geen voeling mee had.

Soms komt mijn inspiratie uit een boek. Ik ben een echte boekenworm en soms komt daarvan iets dan in een song terecht. Nietzsche-kenners hebben dat gemerkt in The Sparkle. In A Square Peg (For A Round Hole) zit een van de kerngedachten van Colin Wilson’s studie over The Outsider. De nieuwe single Multitudes is onder andere geïnspireerd door een uitspraak van de Amerikaanse dichter Walt Whitman. Streetcredibility heb ik dus voor geen meter. Dan doe ik ook niet alsof ik die wel heb. “You are what you is” wist wijlen Frank Zappa.

De inspiratie kan van overal komen. Iets wat ik opvang of wat iemand zegt. De melodie komt altijd eerst en pas dan de tekst. Heel snel heb ik één of twee regels die uit het niets lijken te komen. Daar borduur ik dan op voort. Zo krijgt een verhaal vorm. Die verhalen moeten ergens universeel zijn, iets uitdrukken wat anderen ook herkennen. Hopelijk vinden ze iets van zichzelf in terug.

Ik bewonder Ray Davies van The Kinks als songschrijver. Die kan zo fantastisch observeren en dat in fiinzinnige, vaak licht ironische regels omzetten. Luister nog maar eens naar een A Dedicated Follower Of Fashion of A Well Respected Man.

Chimera heeft de sound van de jaren ’80. Had je inzake geluid één of meer bands in gedachten bij de opnames?

PC: The usual suspects, zeg maar. Joy Division, Editors en The Cure; soms zelfs een streepje The Cult.

Je hoort op Chimera nauwelijks synths.

PC: Die synths zijn er wel, maar heel discreet. Het kan een urban legend zijn, maar Robert Smith wou op de eerste albums van The Cure alleen synths als die met één vinger gespeeld konden worden. Dat werd meteen ons motto. Alle synths op Chimera kan je dus met één vinger spelen. Op het volgende album staan meer synths en invloeden van EDM. Dat hoor je al in Multitudes.

De 160.000 plays van Chimera zullen wel niet allemaal uit België of Nederland komen. Waar wordt dat album zoal opgepikt?

PC: Ik ben geen sant in eigen land. Die streamingplatforms betalen niks, maar geven je wel veel big data, om een consultingterm te gebruiken. Op basis van de voorbije maanden zijn de toplanden USA, Brazilië en de UK. Dat verwondert mij niet want zeker Engelstaligen kicken op mijn teksten. In de eerste 50 steden zit geen enkele Belgische stad. Aan de top: London, Rome en Santiago de Chili. Ik ben ook populairder in Guatamela City, Concepción in Chili en Guadaljara in Mexico dan in om het even welke Belgische stad.

Een Spaanse blogger schreef dat ik iets van Bowie in de stem heb, met ‘die erotische kleur in elke sonorische climax’. Misschien daarom dat ik meer aansla in Latijns-Amerika? Maar het heeft vooral te maken met welke playlists je songs opnemen.

Zijn er plannen voor een vinyl-release?

PC: Dat wil ik graag. Maar hoeveel van die LP’s kan ik als indie artist aan de man brengen? En kleine oplages zijn duur omwille van de vaste kostencomponent. Vinyl heeft pas echt zin als we opnieuw voluit kunnen optreden. Vaak willen mensen een tastbaar souvenir na het concert.

Hoe is jouw samenwerking met de Polen van Fat Koala Disorder tot stand gekomen?

PC: Ik ken één van de leden van Fat Koala Disorder. Die belde me vanuit Warschau enthousiast op. “Hey Paul we vinden jouw album geweldig. Wil je meewerken aan onze volgende single?” Ja natuurlijk! Ik componeerde mee aan de muziek, schreef de tekst voor My Very Own Cain, speel bas en zing. Ronald Vanhuffel speelde gitaar. Voor een vervolg mogen ze mij altijd bellen.

Je hebt een prima band, maar wie staat nog op jouw wish list als muzikant, zanger(es) voor een duet, producer, remixer, …

PC: Never change a winning team. Dus als ik straks aan een derde album zou beginnen neem ik hetzelfde team, verondersteld dat zij het ook zien zitten. Uiteraard heb ik bewondering voor een lange lijst andere artiesten. Songs schrijven met Morrissey, The Edge of Bruce Springsteen lijkt me wel wat.

Sting heeft naar Chimera geluisterd, maar Brits-diplomatisch zei hij dat het “not his cup of tea” is. Maar hij heeft wel goed geluisterd, want hij stelde me een heel pertinente vraag over de lyrics. Een duet zit er waarschijnlijk niet in. Jools Holland zag ook niet meteen iets in het album. Maar ik klop aan elke deur. Dat ik die dan soms ook in mijn gezicht krijg, hoort er bij.

Je kleinkind van 18 jaar komt je melden dat hij/zij beroepsmuzikant wil worden. Steun je die voluit of is het eerder van ‘begin daar toch niet aan’?

PC: Op LinkedIn circuleren nogal wat artikels die afraden om je passie te volgen. Ik denk dat je die wel moet volgen, mits een aantal voorwaarden. Je moet offers willen brengen, er moet een markt voor zijn en je aanvaardt de consequenties van je keuze. Het is gewoon verkeerd om kinderen te zeggen: maakt niks uit, kies maar wat je wil op basis van wat je leuk vindt. Er hangen altijd gevolgen aan keuzes vast. Sommige beroepen zijn riskant, zoals muziek. Het is bijzonder moeilijk om de top te bereiken en nog moeilijker om er te blijven. Toch maar dat diploma halen als Plan B?

Tot hoe ver reikt jouw muzikale ambitie?

PC: Ik probeer zo goed mogelijke songs te schrijven. Samen met creatief genie Rik Corijn werk ik ook constant aan het marketingaspect. Dat is misschien niet wat men graag hoort, maar het is show business. “Anders was het show show”, om het met Woody Allen te zeggen. Voor wie nog een ontnuchterende statistiek nodig had: elke dag worden 40.000 nieuwe songs op Spotify gezet. Dat is het equivalent van wat in 1984 in de UK uitkwam op één volledig jaar. Je moet dus constant voor engagement zorgen of men is je als indie artist zo vergeten. Ik geniet vooral van het schrijven en hetopnemen. Uiteraard is het leuk als je ook respons krijgt. Ambitie is er zeker. Zo één keer Hellooooo Werchter of Hello Wembleyyyyyy kunnen roepen zou wel de max zijn. Al vrees ik dat het wel eens bij Café Wembley om de hoek zou kunnen blijven.