Alwaid is een ‘female fronted’ metalband uit Lille (Frankrijk), geïnspireerd door groepen als Therion, Theatre of Tragedy, Epica en Candlemass.  De band is vernoemd naar een ster uit het sterrenbeeld Draco (Draak). Vanaf de oprichting lag de focus op zoveel mogelijk optreden.

Nadat in 2014 het debuutalbum Lacus Somniorum werd uitgebracht volgt vier jaar later het tweede schijfje The Machine And The Beast. Het album kent als centraal thema de evolutie van de mensheid, hoe deze controle krijgt over de machine die uiteindelijk weer zal leiden tot zijn val. Voor de tekstpuristen derhalve genoeg uitdaging om zich in te verdiepen. Ik beperk mij hier tot een oordeel over de muzikale kant.

In dit genre tappen veel zangeressen vocaal gezien uit hetzelfde vaatje. Op dat vaatje staat dan meestal het etiket ‘sopraan’. Voor mij doorgaans een reden om voor- of vroegtijdig af te haken. Ik ben dan ook geen liefhebber van bands in dit genre. Maar Alwaid en met name zangeres van dienst Marie Perrier is hierop een uitzondering. Zij heeft een dermate variatie en bereik van haar stem die het luisteren naar dit 50 minuten durende album aangenaam maken. Dat ze met haar stem meerdere kanten uit kan laat ze horen op het energieke power metal nummer Amphisbaena.

When Giants Wake start met stevige en ritmische gitaarriffs en ontwikkeld zich gaandeweg tot een catchy nummer met diverse breaks en tempowisselingen. Ook hier laat Marie Perrier diverse octaven van haar stembanden rollen. De grunts van gitarist Max Renard tegen het einde neem ik maar voor lief. The Whale sluit naadloos op zijn voorganger aan. Gaandeweg wordt het ritme opgeschroefd en horen we beukende gitaren en een vloed aan orkestrale toetsen. De hoge en vrij monotone zang bevalt mij hier een stuk minder. Het eerste ogenschijnlijke rustpunt dient zich aan met The Lord Of Cities. Maar schijn bedriegt. Na een kalm intro wordt vervolgd met dubbele bassdrums, melodieus gitaarwerk en hoge zang. Een stuk donkerder en trager is Monsters By Gaslight waarin lage en mid-range vocalen worden afgewisseld met diverse grunts.

Op Sang Noir kantelt het album. Het is een prachtige ballad met klassiek aandoende zang en vormt met fraaie getemporiseerde intermezzo’s voor een rustpunt. Dat rustpunt wordt doorgetrokken op het trage en meeslepende So The Song Went (Silent O’Moyle). Nog kleiner wordt het gedurende de eerste minuut van Idle Riddels And Rhymes met een prachtig zingende Perrier. Verder horen we orkestrale toetsenpartijen, staccato en melodieuze gitaarriffs, grunts en zelfs een (mannelijk) achtergrondkoor. Symfonische metal ten voeten uit. Groot is het contrast met het middeleeuws klinkende Fractalized. De eerste minuten voltrekken zich met akoestische gitaar en de zang van Perrier. Later wint het nummer in kracht door het bijvallen van de ritmesectie en melodieus gitaarspel. Het gevarieerde The Call Of The Wild, wat net als het eerste nummer Enter The Other One Inside niet op de oorspronkelijke (eigen beheer) uitgave uit 2017 staat, zorgt voor een passend besluit van The Machine And The Beast.

Klein minpunt vind ik de volgorde van de nummers op deze cd. De rustige en meer evenwichtige nummers bevinden zich allemaal in het tweede gedeelte. Daardoor lijkt het alsof het album twee gezichten heeft. Maar hier kan ‘shuffle play’ uitkomst bieden. Ik beveel The Machine And The Beast warm aan bij de liefhebbers van female fronted metal. Maar ook liefhebbers van power metal en symfonische (folk) metal zal Alwaid weten te raken.