The Meffs, bestaande uit gitarist/vocalist Lily Hopkins en drummer Lewis Copsey gaan als een speer. Met hun maatschappijkritische punkrock blijken de Britten een groter publiek aan te spreken dan je wellicht zou verwachten. Onlangs kwam hun nieuwe album Business uit, wat de aanleiding was met Lily te spreken.

Het is geweldig om te zien hoe jullie carrière zich heeft ontwikkeld. En nu doet het nieuwe album het ontzettend goed. Ik las ergens dat het in de top 40 stond. Hoe zit dat precies?
‘De Britse hitlijsten zijn opgesplitst in allerlei verschillende categorieën. Je hebt bijvoorbeeld de onafhankelijke hitlijsten, de downloadlijsten en de rock- en metalcharts. We stonden op nummer drie in de Britse rock- en metalcharts en op nummer één in de Independent Breakers Chart. Dat was behoorlijk spannend.’
Geweldig. Heb je een verklaring voor dat succes, behalve dat jullie goede nummers schrijven?
‘Hard werken, haha! We zijn nu ongeveer drie jaar echt fulltime met de band bezig. In die periode hebben we zo’n honderd tot honderdvijftig shows per jaar gespeeld. Dat is een groot deel van het verhaal. Het draait om het op een natuurlijke manier opbouwen van je fanbase. We zijn niet echt een onlineband, snap je? We groeien niet doordat we een enorme online aanwezigheid hebben. We groeien doordat we optreden. Onderweg krijgen we er steeds nieuwe fans bij. Volgens mij komt het daar voor ons op neer.’
Er is weer genoeg om boos over te zijn in de wereld. Kun je iets vertellen over waar jullie nieuwe album, Business, over gaat?
‘Het uitgangspunt van Business is dat alles wat we doen zakelijk is. Daarom vonden we het een goede albumtitel: het is eigenlijk een overkoepelende term voor ons leven. Daar vallen allerlei onderwerpen onder. We kijken bijvoorbeeld naar sociale media en de gevaren ervan: mensen geloven alles wat ze daar zien. Hoe ver gaan mensen mee in zo’n alternatieve werkelijkheid? We hebben het ook over de muziekindustrie. En, zoals je al zei, over de wereld in het algemeen: klimaatverandering, de gruwelijkheden die plaatsvinden en corrupte regeringen die landen besturen. Dat zijn waarschijnlijk de belangrijkste thema’s.’
Jullie hebben met Joan Jett opgetreden. Dat moet geweldig zijn geweest. Kun je daar iets over vertellen? Heb je haar ontmoet? Hoe was ze?
‘Ja, we hebben haar meerdere keren ontmoet. We zagen haar meteen op de eerste dag. Ze stelde zich voor: ‘Hoi, ik ben Joan.’ Ik zei: ‘Ja, dat weet ik.’ Toen zei ik: ‘Ik ben Lily.’ En zij antwoordde: ‘Ja, dat weet ik.’ Dat was op z’n zachtst gezegd surrealistisch. Joan Jett is natuurlijk een icoon; bijna iedereen weet wie ze is. Het was dus behoorlijk onwerkelijk. Op die eerste dag keek ze ook naar onze soundcheck. Het was bizar om onze soundcheck te doen terwijl Joan Jett stond te kijken. Daarna zag ze een deel van onze set die avond. Ze was heel nuchter, precies zoals ik had gehoopt. En haar stem is nog steeds geweldig. Het hele gebeuren was fantastisch. Ook het publiek was precies het soort publiek dat openstond voor onze muziek. Het was zonder twijfel een van de beste tours die we ooit hebben gedaan.’
Was Joan Jett vroeger een inspiratiebron voor je, als een van de eerste vrouwen in de punkrock?
‘Absoluut. Ik weet nog dat ik als kind Suzi Quatro op videobanden zag. Suzi Quatro woont vrij dicht bij ons in de buurt. Ik was ook dol op Joan Jett. Toen ik wat ouder was, als tiener, was ze een van mijn absolute favorieten. Het is geweldig om te weten dat Joan Jett zelf rechtstreeks geïnspireerd werd door Suzi Quatro en andere artiesten van eerder. Zij heeft voor mij hetzelfde gedaan. Het is alsof je die inspiratie doorgeeft aan de volgende generatie. En het is inspirerend om te zien hoe ze tegen het establishment en de muziekindustrie heeft gevochten, hoe ze steeds werd tegengewerkt en er nu nog altijd staat.’
Jullie hebben in kleine bars gespeeld, maar volgens mij ook in arena’s. Wat vind je het fijnst?
‘Ik houd van afwisseling. Het leven draait om balans. Als we terug zijn in zweterige, kleine zalen waar alles dicht op elkaar staat, genieten we daar enorm van. En als we de kans krijgen om op een groot podium te spelen, vinden we dat ook geweldig. Daar heb je wat meer ruimte. Het moet dus in evenwicht zijn. Als je te veel van het ene doet, ga je het andere missen. Tijdens het festivalseizoen speel je voortdurend op festivalpodia en verlang je op een gegeven moment weer naar clubshows. Maar tegen de winter wil je de festivals juist weer terug. Het gaat om de combinatie. Frank Turner, die je aan het begin noemde, is daar een goed voorbeeld van. Hij kan op enorme podia spelen, maar ook een tour doen langs kleine zalen in het Verenigd Koninkrijk met zo’n vijfhonderd bezoekers. Het een sluit het ander niet uit.’
Is het dan geen teleurstelling als je ineens in een hoekje van een bar moet omkleden in plaats van in een echte kleedkamer?
‘Het is zeker uitdagender! Kleine zalen hebben allerlei praktische problemen, maar ze hebben ook iets moois dat je in grotere zalen niet altijd vindt. Er is bijvoorbeeld meer menselijkheid. De mensen die je in zulke zalen tegenkomt, zijn meestal heel nuchter en gastvrij. Het is een fijne omgeving. In grotere zalen kan het soms wat klinischer aanvoelen. Beide hebben voor- en nadelen. Voor kleine shows vind ik zalen met ongeveer 250 tot 500 bezoekers ideaal. En bij grote zalen geldt: geef ons maar het grootste podium dat je hebt. Wij gaan erop staan!’
Over grote podia gesproken: ik heb het gevoel dat jullie de afgelopen zes maanden of misschien een jaar niet meer alleen een punkband zijn, maar steeds meer een rockband in bredere zin. Jullie publiek lijkt niet meer alleen uit punkers te bestaan, maar uit allerlei muziekliefhebbers. Herken je dat?
‘Zeker. Dat merken we absoluut. Vanaf het begin hebben we er bewust voor gekozen om toegankelijk te zijn voor iedereen die naar ons wil luisteren. We wilden geen band zijn waarvoor je er op een bepaalde manier uit moet zien of je op een bepaalde manier moet kleden. Zo zijn we zelf ook niet. We houden van allerlei muziek: punkrock, hardcore en ook nu metal uit onze jeugd. Je hebt zoveel invloeden dat je die niet kunt negeren. We wilden altijd een band zijn waar iedereen naar kan luisteren. We hebben onlangs met The Levellers gespeeld en gaan ook met hen touren. Muzikaal zou je ons misschien niet direct bij elkaar zetten. Maar aan de reacties van het publiek merkten we dat mensen enorme fans van The Meffs werden. Dat komt ook door onze houding, onze waarden en onze overtuigingen. Het gaat niet alleen om hoe we klinken. Misschien spreekt dat ons publiek dus ook buiten de punkwereld aan.’
We hadden het al even over nu metal. Ik las in andere interviews dat je daar vroeger van hield — en misschien nog steeds. Wat is je favoriete nu-metalband?
‘Goede vraag. Nu metal is terug! En terecht. Punkrock maakt ook een opleving door. Kijk maar naar Limp Bizkit, dat dit jaar weer Download Festival headlinet, en Linkin Park, dat daar eveneens bovenaan de affiche staat. Download is een van de grootste rock- en metalfestivals van het Verenigd Koninkrijk. Dat zegt genoeg. Ik was altijd een enorme fan van Linkin Park, vooral van de vroege periode. Hybrid Theory stond vroeger waarschijnlijk voortdurend op repeat. Welke andere nu-metalbands vind ik goed? Grey Daze, de andere band van Chester Bennington, bijvoorbeeld. Er is echt goede nu metal. Ook komen er nieuwe bands op die hardcore met nu metal combineren. Ze noemen zichzelf hardcore en passen in de huidige hardcorescene, maar je hoort heel duidelijk de invloed van nu metal. Body Web bijvoorbeeld, met wie we een tijdje geleden speelden. Dat is best een nieuwe band, die in de hardcorescene past, maar met enorme nu-metalinvloeden. Geweldig om te horen. Guilt Trip heeft dat ook een beetje. En als je naar Turnstile kijkt, hoor je eveneens van die nu-metalachtige breakdowns, ook al horen ze duidelijk bij de hardcorescene.’
Waarom zijn jullie met z’n tweeën? Heb je geprobeerd iemand anders te vinden, of dacht je gewoon: dit werkt?
‘Vóór The Meffs speelde ik al in een lokale band met z’n tweeën. Ik had een vriend die drumde en zong; ik speelde gitaar en zong af en toe mee. Dat deden we een tijdje, maar hij wilde eigenlijk niet optreden. Hij wilde vooral nummers schrijven, terwijl ik juist wilde touren. Dat had ik altijd al willen doen, ik wilde het op zijn minst proberen. Dus dacht ik: ik zoek een drummer, want dat is het andere onderdeel dat ik nodig heb. En zingen zou ik ook wel een beetje kunnen, als ik het probeerde. Ik had nog niet echt gezongen, maar ik dacht: laten we het proberen. Toen gingen Lewis en ik samen de oefenruimte in, en het werkte gewoon. Als je meer mensen aan een band toevoegt, loop je altijd het risico dat de onderlinge relatie verslechtert of dat je het niet met elkaar eens wordt. Lewis en ik hebben allebei onze eigen plek in de band, zowel bij het schrijven als bij het uitwerken van de nummers. Het werkt gewoon. Het voelt daarom eigenlijk onzinnig om er iemand bij te halen. Het is ook leuk om op die manier te schrijven. Ik schrijf thuis meestal riffs en teksten en zet zo de basis van een nummer in elkaar. Het is prettig dat ik me dan niet meteen druk hoef te maken over allerlei andere partijen die erbij zouden kunnen komen. Ik vind het juist een leuke uitdaging om de ruimte op te vullen, maar ook om niet bang te zijn om ruimte over te laten.’