Sean “Spike” Slawson was/is actief in bands als Spike and the Gimme Gimmes, Swingin’ Utters, Filthy Thievin’ Bastards, Re-Volts, Uke-Hunt, en Los Nuevos Bajos. Onlangs kwam het nieuwe Gimme Gimmes uit, Shit The Bed waar we een lovende review over schreven. Iemand die zolang in de punk scene meeloopt heeft natuurlijk genoeg te vertellen, dus we zochten hem op via Zoom.

Eén van de eerste dingen die me aan jullie nieuwe plaat opviel, is dat er niet echt een overkoepelend thema lijkt te zijn. Klopt dat?
‘Jawel: kwaliteit, integriteit, traditie en een flexibele interpretatie van de wetten en regels rond intellectueel eigendom. Dat is het thema! Maar eigenlijk is het gewoon fijn om niet voor iedere plaat een thema te móéten hebben. Hoezeer ik het ook liever niet toegeef: een groot deel van wat we doen, lijkt soms meer op wetenschap dan op kunst. Geen hogere wiskunde natuurlijk, dat mag inmiddels duidelijk zijn, maar er zijn allerlei factoren die bepalen of een nummer wel of niet werkt.
De nummers die ik zelf leuk vind, werken vaak juist omdat ze een beetje een grap zijn. Eigenlijk nemen we alles op de hak. Soms is het lastig om een nummer binnen een bepaald thema in onze stijl te persen. Dan zijn we tegen het einde van het proces nog op zoek naar het tiende of elfde nummer voor een lp en jagen we het thema na, in plaats van gewoon het beste nummer voor de plaat te kiezen.
Daar wilden we vanaf. Deze keer wilden we gewoon hits uitkiezen. Het waren allemaal enorme hits in hun tijd. Dat is waarschijnlijk de enige overeenkomst, naast het feit dat onze versies een paar klassen beter zijn dan de originelen.’
Maken jullie samen een lijst waaruit jullie kiezen, of hoe gaat dat in zijn werk?
‘Onze gebruikelijke werkdag, ‘werk’ tussen aanhalingstekens, begint ermee dat we een paar oude nummers spelen om op te warmen. Daarna zitten we ergens in iemands achtertuin en bespreken we welke liedjes we willen coveren. Dat bespreken en luisteren neemt een flink deel van de dag in beslag. Het gaat vaak om ontzettend absurde nummers: liedjes waar wij, of eigenlijk ieder verstandig mens, normaal gesproken niet naar zouden luisteren. Maar wij doen dat dus wel. Dat is ons leven. Vervolgens gaan we de oefenruimte in en rammen we er een kwartier op los. Als een nummer na vijftien minuten nog niet begint te werken, schrappen we het meestal en gaan we verder met het volgende.
Er wordt dus behoorlijk veel gepraat en geluisterd, naast het daadwerkelijke spelen. Dat kun je misschien ook horen tijdens onze optredens. Een oplettende luisteraar hoort af en toe een foutje. In ons vak noemen we dat clams.’
Eén van de nummers op de plaat is ‘Hey Ya!’ van OutKast. Persoonlijk vind ik dat één van de vreselijkste nummers ooit, maar jullie gooiden er wat Ramones in en dan is het wel te pruimen.
‘Het gekke is dat ik dat nummer altijd al goed vond. Ik weet hoe gigantisch groot het was, maar het was een zeldzaam geval waarin ik een mainstream pophit, zoals je die normaal bij Beyoncé of iets dergelijks hoort, zelf ook echt leuk vond. Ik vond eigenlijk de hele kant van André 3000 op die OutKast-plaat geweldig. Die nummers klonken ingewikkeld en oprecht, alsof hij er bloed, zweet en tranen in had gestoken. Behalve ‘Hey Ya!’, dat klonk alsof hij het in vijf minuten had geschreven. En juist dat werd een van de grootste hits van het decennium, misschien wel van meerdere decennia. Ironisch genoeg was ‘Hey Ya!’ een van de nummers waar ik tot aan de mixfase het meest aan twijfelde. Toen ik het eindresultaat hoorde, dacht ik: wow, dit is een van mijn favorieten op de plaat. Normaal gesproken kiezen we vaak nummers waar ik niet bijzonder veel mee heb. Het proces waarbij we zo’n liedje, met enige tegenzin, helemaal naar onze eigen muzikale wereld trekken, is juist wat me betrokken houdt. In dit geval maakten we een goed nummer van een ander nummer dat ik óók al goed vond. Dat gebeurt niet vaak.
‘Sunday Morning Coming Down’ is nog zo’n uitzondering: dat is een nummer waar ik van houd. Ik ben bescheiden genoeg om toe te geven dat onze versie maar een heel kleine verbetering is ten opzichte van het origineel. De enige cover waarvan ik echt vind dat onze versie níét beter is, is ‘Friday on My Mind’ van The Easybeats. Ik ben dol op The Easybeats, maar onze versie vond ik niet zo geslaagd.’
Jullie hebben nu ook voor het eerst een band uit de jaren negentig gecoverd, toch?
‘Ja, dat was de eerste keer. Meestal komen onze keuzes uit de jaren zeventig. Misschien hebben we ooit een nummer van 45 Grave gedaan, waarmee we in de jaren tachtig terechtkwamen, maar dit is volgens mij de eerste keer dat we een band uit de jaren negentig aanpakken. We hebben inmiddels honderden nummers gedaan. Wat een stelletje prutsers zijn we eigenlijk! Het is niet alleen een grap ten koste van de oorspronkelijke nummers, maar ook een grap ten koste van punknummers en de overdreven ernst die punkmuziek en -cultuur soms hebben gekregen.
In de jaren tachtig begonnen mensen bijvoorbeeld op een heel andere manier over The Doors en The Who te praten. Dat was precies het tegenovergestelde van wat die bands voor ogen hadden toen ze tieners of twintigers waren. Die wilden helemaal geen classicrockband worden. Er zou eigenlijk ook niet zoiets als ‘classic punk’ moeten bestaan. Dat voelt als een klap in het gezicht van de mensen die deze ooit prachtige beweging begonnen. Ik denk dat veel punkers die ons leuk vinden daarom uit de eerste punkgolf komen. Zij begrijpen de grap.
Ik sprak eens met Captain Sensible in Las Vegas, een nogal vreemde zin om uit te spreken. The Damned waren daar toevallig bij een van onze shows en speelden wat nummers met Pinch, die twintig jaar bij The Damned heeft gezeten. Captain Sensible vertelde me hoe saai hij The Clash vond. Daar ben ik het niet mee eens: ik houd van The Clash en ook van hun boodschap. Ze maakten politieke tirades muzikaal en aanstekelijk. De cadans en de frasering klopten; daardoor kwam de boodschap beter binnen. Maar ik begreep ook wat hij bedoelde. The Damned hadden iets absurds, surrealistisch en onvoorspelbaars. Ze namen niets serieus, maar wisten toch te provoceren en een boodschap naar de underground over te brengen. Zonder belerend te worden. Ik houd ook van Crass, begrijp me niet verkeerd. Maar dat gesprek gaf me een ander perspectief op mensen die punk spelen en zichzelf en hun boodschap ontzettend serieus nemen. Waarom zouden we willen luisteren naar volwassen, witte middenklassemannen die schreeuwen over hoe oneerlijk de wereld is? Misschien was dat wat Captain Sensible bedoelde.
De punk waar ik het meest van houd, is óf vuile rock-‘n-roll, zoals The Saints, óf outsiderpop, zoals Buzzcocks en The Damned. Dat is voor mij de interessantste hoek van punk.’
Wie spelen er op de nieuwe plaat? Is dat dezelfde bezetting als tijdens de liveshows?
‘Op de plaat hoor je mij, Pinch op drums, CJ Ramone op bas en Jake op gitaar. John Reis speelt de leadgitaar. John heeft het druk met andere activiteiten, zoals optredens van Rocket from the Crypt over de hele wereld. Tijdens de Europese tour wordt hij vervangen door Dan Gotham van de Britse band Snuff. Dat is de enige wijziging in de bezetting voor Europa.’
Na al die jaren heet de band ineens niet alleen Me First and the Gimme Gimmes, maar staat jouw naam er ook nadrukkelijk bij. Waarom die verandering?
‘Eerlijkheid in de reclame. En ego. Het klinkt toch goed? Misschien ben ik bevooroordeeld, maar ik vind het een mooie naam.’
Eindelijk krijg je de erkenning die je verdient.
‘Precies! Na al die jaren hard werken, in achtertuinen zitten en naar nummers van Cyndi Lauper en adult contemporary-radio luisteren, krijg ik eindelijk mijn verdiende loon.’
Hebben jullie weleens reacties gekregen van de oorspronkelijke artiesten van de nummers die jullie coveren inclusief doodsbedreigingen?
‘Haha, nee geen doodsbedreigingen, want het ging allemaal via de officiële weg. Voor het uitbrengen van een cover op een plaat hoeven we volgens mij geen toestemming te vragen; dat valt onder een bepaalde regeling voor covers of satire. Voor een videoclip ligt dat anders. Als je jezelf filmt terwijl je de tekst van iemand anders zingt, heb je toestemming nodig van de artiest of diens nabestaanden. Daarvoor heb je een zogenaamde synclicentie nodig. Mike wilde een video maken voor onze versie van ‘Desperado’. Fat stuurde daarom een officiële brief naar het management van Eagles. Het antwoord was: ten eerste nee, en ten tweede wilde de band laten weten dat ze onze versie verschrikkelijk vonden. Als ze er iets tegen hadden kunnen doen, hadden ze dat waarschijnlijk gedaan. Maar dat konden ze niet. Uiteindelijk hebben we de video niet gemaakt. Dat is misschien jammer, misschien ook niet.
Muzikant zijn heeft goede en slechte kanten. Het reizen kan zwaar zijn, er is teleurstelling en mensen luisteren niet altijd naar wat je te zeggen hebt. Soms reageren ze ook niet zoals je hoopt. Maar af en toe betaalt al dat harde werk zich uit. Ik kan dit mee mijn graf in nemen als een soort eremedaille: The Eagles haten onze versie van hun nummer, en ze kunnen er geen ene moer aan doen.’
Wat betekent punk voor jou?
‘De omstandigheden die punk hebben voortgebracht, waren heel specifiek. In Londen waren er vuilnisstakingen; in New York speelde een heroïne-epidemie. Er waren allerlei maatschappelijke omstandigheden die een vonk van creativiteit en chaotische energie veroorzaakten. Die omstandigheden bestaan nu niet meer. De stem van punk was toen veel relevanter. Punk bleef alleen relevant voor zover het de moed had om te veranderen en zich te ontwikkelen. Maar toen het gewoon een keuze op de radiozender werd, veranderde dat. Het werd een karikatuur van zichzelf, of een soort uniform.
Bands als Green Day blijven gelukkig trouw aan hun principes. In de jaren negentig of begin jaren nul wilden ze Pansy Division meenemen als voorprogramma. Een aantal zalen die eigendom waren van grote bedrijven wilde dat niet toestaan, omdat ze de band controversieel vonden. Green Day hield voet bij stuk: dit is de tour, en als jullie dat niet willen, spelen we wel in een andere zaal. Natuurlijk konden zij zich dat veroorloven. Maar kijk ook naar iemand als Ed Sheeran: die had zich eveneens kunnen uitspreken.
Voor mij zit een deel van de ontwikkeling van punk in het feit dat de muziek door andere gemeenschappen en groepen wordt opgepakt en op hun eigen manier wordt vormgegeven. Er is bijvoorbeeld een cumbia-punkband uit Mexico-Stad, Son Rompe Pera. Dat vind ik op dit moment spannend: een totaal andere gemeenschap, met andere ideeën, een andere geografische en sociale werkelijkheid, die toch iets herkent in punk.
Ook afro-punk vind ik interessant. En queer punkbands. Dat soort ontwikkelingen vind ik veel boeiender dan de zoveelste witte man uit de middenklasse die klaagt dat de wereld oneerlijk is. Op een gegeven moment, ergens in de jaren tachtig, werd dat voor mij een soort standaardbeeld van punk. Tegelijkertijd heeft punk mijn leven gered. Ik groeide op in een grauwe industriestad en het was niet makkelijk om anders te zijn. Aan de rand van de stad zat een punkhol dat Electric Banana heette. Daar vond ik mensen met dezelfde interesses en problemen, en misschien ook mensen die op een vergelijkbare manier in elkaar zaten. Er liepen ook behoorlijk wat sociopaten rond, dat moet ik erbij zeggen. Ik heb soms het gevoel dat mensen in de jaren zeventig op kunstacademies deden alsof ze sociopaten waren, terwijl het in de jaren tachtig soms echte sociopaten werden. Dat kon lastig zijn. Maar het was ontzettend waardevol om mensen te ontmoeten bij wie ik me thuis voelde. Dat vormt nog altijd de basis van mijn zelfvertrouwen, mijn creativiteit en mijn gevoel voor humor.’
Ik vroeg me al een tijdje af of er nog nieuw materiaal aankomt van je project Uke-Hunt. Het is alweer een tijd geleden dat we daar iets over hebben gehoord.
‘Onze man Jamin speelt saxofoon, mondharmonica en de muzikale zaag — hoe soepel is dat? Hij gaat binnenkort een aantal nummers afmaken waarvan we de opnames al een tijd geleden zijn begonnen. Er zit dus weer beweging in. We willen die nummers uitbrengen, in welke vorm dan ook, en ze vervolgens aan de wereld laten horen. Het is ook alweer lang geleden dat we hebben opgetreden, zelfs in San Francisco. Maar naast de plaat van de Gimme Gimmes, ben ik met iets anders bezig. Ik heb een band met een aantal muzikanten uit San Francisco en Panama-Stad. We spelen oude bolero’s in het Spaans, in de stijl van Los Panchos, Los Tres Diamantes en Los Tres Haces. De band heet Los Nuevos Bajos. We hebben net een nieuw album uitgebracht, dat nu te streamen is en binnenkort ook op vinyl verschijnt. Het heet Rebájate con Los Nuevos Bajos. Ik weet zeker dat je het goed zult vinden.’
Je Spaans is trouwens altijd erg goed.
‘Dank je. Ik woon in Californië en als je in professionele keukens werkt, kom je vanzelf veel met Spaans in aanraking. Sommige keukens spreken alleen Spaans en geen Engels. Bovendien wist ik dat mensen in die keukens soms over me praatten en me voor gek zetten. Dus moest ik op mijn telefoon uitzoeken wat ze zeiden, zodat ik voor mezelf kon opkomen. Dat heeft ook geholpen.’
Je komt ieder jaar naar Nederland en ik ben altijd bij de shows. Ik hoop dat jullie volgend jaar ook weer langskomen. Zijn er al plannen?
‘Absoluut. Er liggen nog geen concrete plannen, maar deze Europese tour gaat vooral door Midden-, Zuid- en Oost-Europa. Volgens mij slaan we nu een aantal plekken over waar we tijdens de vorige tour zijn geweest. Dat zal wel met een strategie te maken hebben die boven mijn niveau ligt. Maar Nederland staat altijd op de agenda.
Nederland is een echt muziekland. Ik zag ergens een lijst met steden met de meeste platenzaken. Amsterdam stond volgens mij op nummer vier of vijf. San Francisco, toch een grote stad, staat daar absoluut niet bij. In moderne steden lijkt er een enorme verschuiving in prioriteiten te hebben plaatsgevonden. Er is iets uitgehold, parallel aan de groei van technologie en de veranderde manieren waarop we toegang hebben tot muziek. Fysieke muziekdragers lijken steeds minder belangrijk te worden. Maar dat Amsterdam nog altijd vol platenzaken zit, vind ik prachtig. Ik weet niet hoe het in andere Nederlandse steden is.’