
Big Big Train heeft een maand geleden het zestiende album Woodcut uitgebracht. Het is het tweede album met zanger Alberto Bravin, nadat David Longdon onverwacht overleed in 2021. Aanvankelijk werd Alberto aangetrokken als nieuwe zanger, maar al gauw bleek dat deze man een ‘alleskunner’ lijkt te zijn en misschien met Woodcut zijn houten stempel definitief op de muziek van Big Big Train heeft gezet.
Woodcut is, misschien opmerkelijk voor een progressieve rockband die al vanaf 1990 actief is, het eerste conceptalbum dat de band uitbrengt. Eerder waren er al plannen geopperd door David Longdon maar het is er nooit eerder van gekomen. In plaats daarvan kwam de band met het album Folklore in 2016.
Verwacht dus op Woodcut ook geen enorm lange composities omdat het gehele album eigenlijk uit één compositie bestaat die in stukken is gehakt en samen het verhaal vertellen van de ‘Artist’. Het verhaal ontstond toevallig toen Alberto Bravin en oprichter Gregory Spawton voorafgaand aan een concert in Oslo in 2023 een museum bezochten. Geen van de leden heeft ervaring met houtsnijwerk maar de sfeer in het museum zorgde ervoor dat Bravin en Spawton met een verhaallijn kwamen die iedereen in de band in de ban kreeg. Het resulteerde in het album met daarop zestien aansluitende stukken prachtmuziek.
Inkwell Black start het album vrij onconventioneel met viool, cello en klarinet. Een manier om de luisteraar in de wereld van licht en donker van de artiest in te trekken. De ‘Artist’ stelt zich daarna voor in The Artist. Violiste/gitariste Clare Lindley past sinds 2021 in de band en weet met haar bijdrage hoge ogen te gooien. Ze weet in de teksten precies aan te geven hoe creativiteit en twijfel hand in hand kunnen gaan. Alberto weet dit vocaal dan ook perfect te vertalen. Muzikaal zijn er daarbij raakvlakken met het werk van Ayreon en Kansas. Vooral na vijf minuten komt Kansas in mijn hoofd oppoppen. Het instrumentale stuk biedt ruimte voor het sublieme gitaarwerk van Rikard Sjöblom en het toetsenspel van Oskar Holldorff. En niemand minder dan Nick D’Virgilio houdt de vaart er daarna stevig in. Het progressieve stevige karakter vloeit over in prachtige muziekgolven die als vanzelf overlopen in The Lie Of The Land. Een aangrijpend stuk waarin zang en piano de sfeer weten te pakken. Langzaam vult de rest van de band de compositie aan. De kracht zwelt aan en gaat over in een meer folklore stuk muziek dat zo bij Arjen Anthony Lucassen zou passen. Heerlijk om zo te beginnen. Het is daarbij niet alleen de tekstuele bijdrage van Clare die opvalt op het album. In The Sharpest Blade verzorgt zij ook de zang in de coupletten. Haar stem is warm en ingetogen en past uitstekend naast het stemgeluid van Alberto. Het is een spel van gevoel, een spel van fragiliteit en daarmee licht breekbaar.
De progressieve noot krijgt weer meer voet aan de grond in Albion Press waarin zeker een hoofdrol is weggelegd voor opzwepende drumwerk en sterk toetsenspel. Na ruim twee minuten valt de zang in en omarmt de melodie de immer onderliggende stuwende ritmesectie. Met daarin zeker een belangrijke rol voor het basspel van Gregory. En hoewel het aan alle kanten het progressieve karakter uitstraalt, blijven de composities vrij ingetogen. Dat is niet erg en in Arcadia past het heel erg goed. Het is de compositie waarin de artiest eigenlijk niet goed meer beseft of dit het leven is dat hij leeft of dat het slechts een droom betreft. Fluit, cello en akoestisch gitaargeluid ondersteunen de sfeer. Een soort powerballad waarin een wonderschone eenvoud naar boven komt, zeker wanneer Clare haar viool laat resoneren.
Second Press is eigenlijk het tweede stuk (klassiek) spel. Na Inkwell Black is Second Press een soort van breekpunt op het album. Warp And Weft heeft een meer progressief karakter en de zang in canon geeft het geheel een diepere dimensie. Hier krijgt de progliefhebber wel de nodige kriebels van. Zeker liefhebbers van Spock’s Beard. Chimaera is daarmee plotseling een vreemde eend in de bijt. Van de gevorderde progrock gaan we ineens naar een meer mainstream aantrekkelijk geluid hoewel het geen gewoon driekwartsmaatje betreft.
Het zoeken naar balans blijft de artiest steeds achtervolgen. Het evenwicht is muzikaal zeker aanwezig. Licht neigend naar Kansas (en Ayreon) wordt er gespeeld met ritme, zang en tempo. Met Light Without Heat levert Big Big Train weer een prachtig visitekaartje af. Oorstrelend weet de band in het geheel precies op de juiste momenten net even aan te zetten. Daarbij krijgt de gitaarsolo hier heel veel ruimte om het gevoel naar een hoger niveau te tillen. Het is daarbij ook de opmaat naar Dreams In Black And White. Naast de canon is het wederom een moment waarin de solo de aandacht vraagt.
Had ik eerder gezegd dat het vrij ingetogen klonk, dan moet ik bij Cut And Run op mijn woorden terugkomen. Sterke progrock met wat jazzy-elementen komt langs waarin drum, gitaar, bas en toetsen afwisselend de hoofdrol opeisen.
De reflectie komt eerst in Hawthorn White, een instrumentale inzet van piano en cello met de melodie van Dreams In Black And White. Daarna volgt Counting Stars dat je meevoert naar de innerlijke strijd, maar naar mijn gevoel ook een stuk berusting dat je omarmt. En dan zorgt Last Stand voor de uiteindelijke finale op een gruwelijk lekkere manier. Woodcut is een dijk van een album en het zou mij verbazen wanneer dit album niet in mijn jaarlijst terug te vinden is. De band staat in oktober in Boerderij in Zoetermeer.