De Blue Hearts in de albumtitel van de nieuwe Bob Mould hebben een duidelijke dubbele betekenis: het hartzeer bij het zien van de wapengekke Amerikaanse politie (Black Lives Matter) en de medaille die Amerikaanse ordehandhavers ontvangen als ze gewond geraken bij een interventie. Mould maakt op het album meteen duidelijk dat hij het niet opneemt voor politiemannen die maar al te graag hun wapen bovenhalen. Het maakt van Blue Hearts een kopstoot verpakt in furieuze indierock die herinnert aan de hoogdagen van Hüsker Dü, met dezelfde drive als op Copper Blue van Sugar, dat andere bandje waar Mould eerder in schitterde. 

Er zijn wel meer bands en zangers die al eens een protestsong schrijven, maar bij Bob Mould lijkt het meer een gave, een talent voor lyrics die de schijnheiligheid van de maatschappij aan flarden bijt en een talent voor gitaarakkoorden die daarbij perfect de sfeer vatten. Volgens het promopraatje heeft de Amerikaan dit album in één ruk geschreven en opgenomen en zo klinkt het ook. Elke track klinkt als ingekookt gif. Denk aan de woede van Henry Rollins bij Black Flag, met een catchy hardcore-melodie eronder. Ome Bob is niet milder geworden door zijn leeftijd. En gelukkig maar.

Er zit ook nog wat van zijn eigen ellende in een paar tracks, maar dat krijgt dezelfde behandeling. En Mould schiet vaker op de Amerikaanse president, politici in het algemeen en klimaatontkenners dan in zijn eigen gebroken hart. Na het veel te vrolijke Sunshine Rock is Blue Hearts de comeback waar heel wat fans op zaten te wachten. Het blijft jammer dat het de oudere generatie muzikanten is die ons een geweten schopt, en niet de jeugd (waar zitten die?), maar als die schop onder de kont van Bob Mould komt, weet je dat je die verdiend hebt.