Stoner-infected sludge-doom. Als die van Growing Horns het zelf zeggen, zal het wel kloppen. Vijf jaar na het oprichten van de band is er het eerste studiomateriaal. De EP The Nobility Of Pain werd ingeblikt met Jonas Nyaar die eerder al mooi werk verrichte voor o.m. Witch Trail en Barst.

We’re All Made Of Scars is een zwaarmoedige opener van epische proporties, met een opbouw in laagjes waarvoor de band ruim de tijd neemt. Twee dingen vallen op. De zang is minder aanwezig in het studiomateriaal dan in de live-set en de klemtoon ligt meer op de muzikaliteit dan op de energie die de band live brengt.  Veel bands willen hun studiomateriaal krek hetzelfde laten klinken als wat ze live brengen, maar dat idee hebben ze bij Growing Horns niet nauwlettend gevolgd. Het is nu wel ook weer niet dat de twee mijlenver van elkaar staan. Het is vooral het kleine stapje terug in de zang/grunt dat perfect werkt voor het studiomateriaal van Growing Horns.

Luciferian Kingdom zit een versnelling hoger dan We’re All Made Of Scars en zit meer bij de doom-laden stoner. Mountains Of Pain kruipt tergend traag voort, als een sluipend gif dat je geduld op de proef stelt. Hier niet zozeer sludge, maar wel hoge dosissen gloomy doom en slome stoner. Live is dit een topper en ook in de studioversie zijn we helemaal mee in deze trip van Growing Horns. Pas met het einde in zicht komt er heel voorzichtig een beetje meer sludge bij, genoeg om net te herkennen, net te weinig om echt als een breuk aangeduid te worden. Die lang aangehouden, monotone en licht reutelende grunts van Dafus Demon zijn hier heel uitgepuurd. Makkelijk te volgen en toch beladen met mysterie en onbehagen.

De space-psychedelische intro van Butcher’s Blues is een beetje een verrassing. Daarna wordt opnieuw met grove hagel geschoten, maar ze nemen bij Growing Horns hun tijd om het wild op te jagen. Opnieuw een lekker slepend doom-ritme dus, met een kleine, korte versnelling naar een stoner-ritme.

2084 wordt opgeleukt met samples (van het nieuws?), terwijl daarna de ‘gewone’ vocalen volgen. Nog meer of terugkerende samples had ook leuk geweest, maar met zo’n aangename grunter in de rangen moet je het ook niet te ver gaan zoeken.  De swampy sludge-doom krijgt hier een sobere piano-outro.

Het geheime wapen van deze EP (ook op vinyl beschikbaar) zit ‘m in de mix. Als je dezelfde genres bij elkaar zet als die waar Growing Horns zich van bedient, kom je – zeker bij een eerste opname – vaak uit bij een geluid waarin je wel een leuke sound en groove hebt maar waar je de afzonderlijke instrumenten nauwelijks uit elkaar kan houden. Daar hebben ze voor The Nobility Of Pain vrolijk omheen gefietst en zo hoor je nog beter de bijdrage van elke muzikant. En ze hebben elk heel wat kersen op hun taart.

Helemaal geen opmerkingen dan? De enige is dat ze bij de releaseshow nog meer eigen nummers gebracht hebben die niet zouden misstaan hebben op deze EP. Met nog één track erbij was dit een album, en dan nog steeds een steengoed album.

Ongetwijfeld zullen ze ook wel op Nederlandse podia uitgenodigd worden, maar wil je Growing Horns eens live aan het werk zien, dan moet je voorlopig de grens over: ze spelen eind april op 9 jaar Elpee in Deinze (België) en in augustus op Alcatraz (Kortrijk).