Het Amerikaanse The Great Electric Quest bestaat zo’n 8 jaar en is met Chapter II toe aan hun tweede album. Een album wat zo op het eerste gehoor ook zo maar een jaar of 40 geleden uitgebracht had kunnen worden. Waar de retrobands als paddenstoelen uit de grond schieten, probeert de band zich echter uiteraard te onderscheiden. Er wordt stevig afgetrapt met Seeker of the Flame waarbij mij direct duidelijk wordt dat de inspiratie wordt gezocht bij bands als Deep Purple, Led Zeppelin en meer moderne bands als Spiritual Beggars en Firebird.

De aanstekelijke riffs vliegen je om de oren en de krachtige zang maakt direct duidelijk dat het een band is die zeker meetelt in de scene. Na iets meer dan 3 minuten onderweg in het nummer gooit de band het plots over een andere boeg: slepende doom-melodieën en bezwerende zang laat ook een duidelijke vroege Black Sabbath invloed horen. Zanger Tyler “T-Sweat” DIngvell past zijn stem daarbij aan en klinkt dan opmerkelijk veel als Robert Lowe (Solitude Aeturnus, Candlemass) waardoor het geheel ook die kant op gaat.

Na deze sterke start waagt de band zich aan een tweeluik van bijna 15 minuten, Of Earth part I & II. Wat hierbij opvalt is de opbouw van de nummers die het laten klinken alsof je bij een live optreden bent. Er wordt gestart met een heerlijk drumpartij wat direct aan Led Zeppelin’s Moby Dick doet denken, niet de minste referentie! Dit komt ook terug in het sterke einde van Of Earth met de bluesy gitaarlicks en bevlogen, gekwelde zangpartijen. De solo’s klinken alsof ze live, recht uit het hart, zijn ingespeeld.

In het nummer Anubis laat stemkunstenaar Tyler horen dat ook een hoge hese stem tot zijn mogelijkheden behoort, iets wat de diversiteit weer zeker ten goede komt. De felheid gecombineerd met de slepende doom maakt het tot een bijzondere song die zich direct ergens in je hoofd nestelt. Een song die nog dagenlang in je hoofd blijft spelen. Het einde van het nummer klinkt alsof je er live bij bent en nodigt bijna uit om hard te gaan klappen na de laatste tonen.

De hierop volgende uptempo rockers Wicked hands en The Madness zijn minder avontuurlijk, maar zijn beide voorzien van heerlijk pakkende refreinen waarbij het lastig stilzitten is en je al snel meezingt.

Het afsluitende Heart of the Son geeft de luisteraar een semi-ballad waar het gevoel vanuit de tenen komt en met name zanger Tyler en gitarist Buddy Donner nogmaals laten horen dat de band wel degelijk iets toe te voegen heeft aan het inmiddels bomvolle genre.

De sound van het album is erg goed; krachtig maar zeker geen muur van geluid. De instrumenten en zang vormen nergens een brei. Een sound die in de seventies en eighties eigenlijk de standaard was. Het schitterende bijpassende artwork geeft het Spacerock thema extra kracht. Het album is daarmee tot in de puntjes verzorgd en maakt duidelijk dat het een band is om rekening mee te houden.